Relatie met andere wetgeving

Afbeeldingsresultaat voor site:ilocate.nl

Ad c Inrichtingseisen De inrichting moet voldoen aan bij AMvB te stellen eisen in het belang van de sociale hygiëne (art. 10 Drank- en Horecawet). Er zijn bijvoorbeeld bepalingen over de minimale oppervlakte en de kantoorruimte huren utrecht aanwezigheid van toiletten. Voor de exploitanten van een horecabedrijf zijn in de Drank- en horecawet (art. 20) bepalingen opgenomen waaruit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid blijkt:
10.1 Drank- en Horecawet 419
In een inrichting mag niet getapt worden voor personen jonger dan 16 jaar. Een slijter mag geen sterke drank verkopen aan personen jonger dan 18 jaar oud. In een inrichting mag de bedrijfsleider of beheerder niet toestaan dat er zich personen in kennelijke staat van dronkenschap bevinden. Personen kantoorruimte huren eindhoven onder de 16 jaar mogen alleen in de inrichting zijn onder begeleiding van iemand van ten minste 21 jaar oud.
De Drank- en Horecawet heeft raakvlakken met de Wet milieubeheer en de WRO.
Wet milieubeheer Horeca-inrichtingen zijn meldingsplichtig op grond van de Wet kantoorruimte huren rotterdam milieubeheer. Indien het grotere horeca-inrichtingen betreft, zijn deze vaak vergunningplichtig op grond van de Wet milieubeheer.
Wet op de Ruimtelijke Ordening Cafés, hotels, slijterijen enzovoort zijn vaak als zodanig bestemd in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Vestiging kantoorruimte huren amsterdam van een horecainrichting in een pand dat niet als zodanig is bestemd, is in beginsel niet mogelijk zonder bestemmingsplanwijziging.

Het beheer van de grote oppervlaktewateren

Afbeeldingsresultaat voor site:ilocate.nl

Overige milieuwetgeving
De overige milieuwetgeving is gegroepeerd in wetten met hetzelfde werkingsgebied: water (subparagraaf 9.16.1), lucht (subparagraaf 9.16.2), bodem (subparagraaf 9 .16.3), geluid (subparagraaf 9 .16.4) en stoffen (subparagraaf 9 .16.5).
9.16.1 Wetgeving voor water
De belangrijkste kantoorruimte huren utrecht regels voor bescherming van de kwaliteit van het water zijn te vinden in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Maar ook de Grondwaterwet, de Wet op de waterhuishouding, de Wet verontreiniging zeewater en de Wet voorkoming verontreiniging door schepen hebben onder andere deze doelstelling.
9.16 Overige milieuwetgeving 405
Wet verontreiniging oppervlaktewateren Het doel van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (WVO) is het bestrijden en voorkomen van kantoorruimte huren eindhoven verontreiniging van oppervlaktewateren met het oog op de verschillende functies die deze wateren vervullen. Deze wateren dienen onder andere als grondstof voor drinkwater, leefmilieu voor planten en dieren, water voor vee en gewassen, en recreatiewater. Het beheer van de grote oppervlaktewateren berust bij het Rijk. Het gaat daarbij om de grote rivieren, het IJsselmeer, het Amsterdam-Rijnkanaal, het Noordzeekanaal, het Eems-Dollardgebied, de Waddenzee, de Deltawateren en kantoorruimte huren rotterdam het territoriale deel van de Noordzee. De overige wateren zijn in beheer bij de provincies, die het beheer via een provinciale verordening kunnen opdragen aan waterschappen.
De WVO hanteert als instrumenten om haar doel te bereiken het vergunningenstelsel, de normstelling en de heffingen.
Vergunningenstelsel De waterbeheerders beslissen op een aanvraag WVO-vergunning, dat wil zeggen: de minister van Verkeer en Waterstaat, Gedeputeerde Staten en de besturen van de waterschappen. Bij de vergunning kunnen voorschriften worden gesteld, bijvoorbeeld kantoorruimte huren amsterdam over de aard en de hoeveelheid van de te lozen afvalstoffen of om bepaalde zuiveringsmaatregelen te nemen. Beroep tegen de beslissing op een aanvraag WVO-vergunning moet krachtens de Wet milieubeheer direct bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingesteld.

Het klimaatbeleid

Afbeeldingsresultaat voor site:ilocate.nl

Dit is onderdeel van het klimaatbeleid. Ook heeft de overheid voor bedrijven twee handelssystemen opgezet: emissiehandel in kooldioxide (C02); · emissiehandel in stikstofoxiden (NOx).
Op 1 januari 2005 is de C02-emissiehandel gestart, gevolgd door de handel in NOx-emissierechten. De kantoor huren utrecht handel in NOx-emissierechten is onderdeel van het beleid om verzuring en grootschalige luchtverontreiniging tegen te gaan. NOx is geen broeikasgas, maar draagt bij aan verzuring en smog. De handel in C02 en NOx vindt plaats tussen bedrijven in de zware industrie die veel van deze stoffen uitstoten. De overheid houdt toezicht op bedrijven die in emissies handelen.
Beleid ten aanzien van kantoor huren eindhoven emissiehandel Nederland heeft in het Kyoto-protocol afgesproken de uitstoot van broeikasgassen (waaronder C02) te verminderen. Nederland moet de uitstoot in 2012 met 6% hebben teruggebracht ten opzichte van het niveau van 1990 (212 megaton). Dat betekent dat Nederland de uitstoot met 13 megaton C02 moet terugbrengen. De overheid heeft hiervoor streefwaarden vastgesteld per doelgroep, bijvoorbeeld verkeer, consumenten of industrie. Voor iedere doelgroep zet de overheid verschillende maatregelen en instrumenten in om de kantoor huren rotterdam streefwaarde te halen. Voor een deel van de doelgroep industrie wordt emissiehandel ingezet. In Europees verband is afgesproken dat Nederland (verplicht) in 2010 maximaal 260 kiloton (kton) stikstofoxiden mag uitstoten.
Werking emissiehandel voor bedrijven De minister van VROM bepaalt aan het begin van een handelsperiode hoeveel rechten de totale industrie krijgt. Vervolgens bepaalt het ministerie van Economische Zaken (EZ) hoe kantoor huren amsterdam de rechten over individuele bedrijven worden verdeeld. Op basis daarvan ontvangen die bedrijven jaarlijks van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) emissierechten. Deze rechten zijn gratis.

In de buitenlucht

Afbeeldingsresultaat voor site:ilocate.nl

Waar in de buitenlucht of op een open terrein van de inrichting geen muziek ten gehore wordt gebracht; e waar geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kilogram koudemiddel; en f waarbinnen geen van de in kantoor huren utrecht hoofdstukken 3 en 4 Ab alsmede de in de hoofdstukken 3 en 4 van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer genoemde activiteiten of slechts één of meer van de volgende activiteiten dan wel deelactiviteiten worden verricht: het vervaardigen van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken in de inrichting; ii het in werking hebben van stookinstallaties kantoor huren eindhoven voor de verwarming van gebouwen; iii het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage voor maximaal 30 personenauto’s; iv het aanwezig hebben van een noodstroomaggregaat dat niet meer dan 50 uren per jaar in werking is; v het lozen van huishoudelijk afvalwater in een vuilwaterriool; vi het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; vii het lozen van koelwater anders dan in een vuilwaterriool; viii het lozen van grondwater bij ontwatering, niet zijnde grondwater als bedoeld in art. 3.1 lid 1 Ab op of in de bodem; ix het opslaan in opslagtanks van stoffen niet zijnde gevaarlijke stoffen of minerale olie; x het opslaan in verpakking van kantoor huren rotterdam stoffen niet zijnde gevaarlijke stoffen.
Het gaat derhalve om bepaalde activiteiten die weinig nadeel voor het milieu opleveren. Daarom behoeven deze inrichtingen niet bij het bevoegd gezag te worden gemeld. Afdeling 1.2 ‘Melding’ van het Ab is dan ook niet van toepassing. De overige regels van het Ab zijn op deze inrichtingen van toepassing (art. 1.4 lid 1 Ab).
Inrichting type B Een kantoor huren amsterdam inrichting type B betreft een inrichting waarvoor geen vergunning is vereist en die geen type A of type C inrichting is. Het gehele Ab is van toepassing op een type B inrichting (art. 1.4 lid 2 Ab).

Het systeem

Afbeeldingsresultaat voor site:ilocate.nl

Het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen. Het gaat kantoor huren utrecht om het systeem dat degene die de inrichting drijft, met betrekking tot de inrichting toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting voert.
Het bestuur moet bij zijn besluit rekening houden met het voor hem geldende milieubeleidsplan; het geldende afvalbeheersplan (titel 10.2 Wm); en de richtwaarden in de milieukwaliteitseisen (zie paragraaf 9.3).
Bij de vergunningverlening moet het bestuur de grenswaarden in de milieukwaliteitseisen in acht nemen inclusief de milieukwaliteitseisen kantoor huren eindhoven op grond van de Wet geluidhinder. Het bestuursorgaan is ook verplicht de volgende regels in acht te nemen: algemene regels in instructie-AMvB’s (art. 8.45 Wm – AMvB’s met regels voor het bevoegd gezag om beperkingen of voorschriften aan te brengen of te verbinden aan de vergunningen);
9.5 Vergunningen voor inrichtingen 367
provinciale instructieregels in de provinciale milieuverordening en ministeriële aanwijzingen (in bijzondere gevallen, art. 8.27 Wm).
In art. 8.9 Wm is bepaald dat het bevoegd gezag er zorg voor draagt dat er bij de beslissing op de aanvraag geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens de Wm; de kantoor huren rotterdam Wro; dan wel bij of krachtens de in art. 13.1 lid 2 Wm genoemde wetten.
Zo komt een inrichting dus niet meer in aanmerking voor een milieuvergunning als de activiteit in strijd is met de gebruiksregels van het bestemmingsplan. Een van de in art. 13.1 genoemde wetten is de Wet geluidhinder; ook als dus gehandeld wordt in strijd met de Wet geluidhinder, moet de vergunning worden geweigerd.
• Voorbeeld Gedeputeerde Staten van Groningen hadden voor de uitbreiding van een suikerfabriek een milieuvergunning gegeven, ondanks het feit dat de uitbreiding buiten de geluidszone van het desbetreffende kantoor huren amsterdam industrieterrein was gepland. Er was weliswaar een procedure gevolgd op basis van art. 19 WRO (oud), maar er had geen aanpassing van de geluidszone plaatsgevonden. In haar uitspraak vernietigde de Afdeling bestuursrechtspraak de vergunning. (ABRvS 27 januari 1998, AB 1998/201)

De MER-procedure

Afbeeldingsresultaat voor site:ilocate.nl

De ministers van VROM, LNV en OCW kunnen gezamenlijk in bepaalde gevallen ontheffing verlenen van de MER-plicht (art. 7.5 Wm), bijvoorbeeld als winkel huren utrecht al een goed milieurapport beschikbaar is of als de activiteit onmiddellijk vanwege het algemeen belang moet worden uitgevoerd.
De inrichtingen en activiteiten die in het Besluit milieu-effectrapportage staan genoemd, gaan een bepaalde maat te boven en zijn grootschalig.
Op basis van de provinciale milieuverordening (art. 7.6 Wm) kunnen Provinciale Staten activiteiten aanwijzen die MER-plichtig zijn, dat wil zeggen: bovenop de MER-plicht op grond van het Besluit milieu-effectrapportage. Bij de winkel huren eindhoven aanwijzing wordt het overheidsbesluit aangegeven waarvoor de MERplicht geldt. Dat houdt in dat bij de voorbereiding van dat besluit een MER moet worden gemaakt.
De MER-procedure verloopt in hoofdlijnen als volgt: 1 Degene die een MER-plichtige activiteit wil ondernemen en daarvoor een verzoek tot een besluit (bijvoorbeeld een milieuvergunning) wil indienen, deelt dat mede aan het bevoegd gezag (art. 7.12 Wm). De mededeling geschiedt in de vorm van een startnotitie die doel, aard, omvang en plaats van de activiteit, aanduiding van het MER-plichtige besluit en een winkel huren rotterdam globale aanduiding van de verwachte gevolgen voor het milieu uiteen zet. De eisen aan de startnotitie staan in de Regeling startnotitie milieu-effectrapportage (art. 7.12 lid 6 Wm). Als het bevoegd gezag zonder aanvraag (‘uit zichzelf’) een besluit wil nemen waarvoor een MER moet worden gemaakt (bijvoorbeeld een tracébesluit tot aanleg van een spoorlijn), deelt het zijn voornemen in de vorm van een startnotitie mee aan de vaste commissie voor de milieueffectrapportage. Dat is de onafhankelijke commissie (§ 2.2 Wm) die tot winkel huren amsterdam taak heeft via haar werkgroepen advies aan bevoegd-gezaginstanties uit te brengen met betrekking tot een MER (art. 2.21 Wm).

De aangegeven onderwerpen

Afbeeldingsresultaat voor site:ilocate.nl

De indeling in dit hoofdstuk volgt ten aanzien van de Wm de indeling van de Wm; de aangegeven onderwerpen hebben betrekking op de instrumenten uit de Wm om het doel te bereiken. Voorafgaand aan de beschrijving van de instrumenten in de wet is in art. l. la Wm een zorgplicht van winkel huren utrecht iedereen voor het milieu opgenomen: ‘Eenieder neemt voldoende zorg voor het milieu in acht. Deze zorg houdt in ieder geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te winkel huren eindhoven voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.’ De ministers, Gedeputeerde Staten, burgemeester en wethouders en de waterkwaliteitsbeheerder hebben tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van deze zorgplicht (art. 18.2a lid 1 Wm).
9.1 Plannen en programma’s
Het Rijk en de provincie hebben de verplichting om milieubeleidsplannen op te stellen (subparagraaf 9.1.1). De voorbereiding van die plannen vindt plaats volgens vastgestelde procedures winkel huren rotterdam (subparagraaf 9.1.2). De opstellers van de plannen houden rekening met andere plannen, zoals de structuurvisie op grond van de Wro om tot een integraal beleid te komen (subparagraaf 9.1.3). Tegen de plannen kunnen belanghebbenden geen beroep instellen, wel tegen besluiten op grond van de plannen (subparagraaf 9.1.4). Rijk en provincie, maar ook de plusregio en winkel huren amsterdam de gemeente moeten de uitvoering van hun milieubeleid in een programma opnemen.

Relatie met andere wetgeving

Afbeeldingsresultaat voor site:ilocate.nl
De Wet voorkeursrecht gemeenten heeft raakvlakken met de WSDV en de WRO.
Wet op de stads- en winkel huren utrecht dorpsvernieuwing De Wet Voorkeursrecht gemeenten is mede van belang voor gebieden die zijn opgenomen in een stadsvernieuwingsplan (art. 31 e.v. WSDV).
Wet op de Ruimtelijke Ordening De werkingssfeer van de Wet voorkeursrecht gemeenten voorziet in een algemeen gemeentelijk voorkeursrecht dat gevestigd kan worden op alle locaties waaraan een niet-agrarische bestemming is toegedacht of gegeven en waarvan het gebruik afwijkt van de nieuwe bestemming. Vooralsnog is de werkingssfeer beperkt winkel huren eindhoven tot die gemeenten die in het kader van het volkshuisvestingsbeleid een belangrijke taak hebben. Het betreft hier vooral toekomstige of bestaande uitbreidingslocaties voor woningbouw. De wet voorziet ook in een vervroegd voorkeursrecht. De gemeente kan het voorkeursrecht vestigen op een moment dat zij nog niet beschikt over een (ontwerp van een) structuur- of bestemmingsplan. Burgemeester en winkel huren rotterdam wethouders kunnen de raad voorstellen om een tijdelijk voorkeursrecht te vestigen. Dit voorstel heeft, daags na de publicatie ervan in de Staatscourant, de vestiging van het voorkeursrecht gedurende acht weken tot gevolg. De raad kan het voorkeursrecht bestendigen voor de duur van maximaal twee winkel huren amsterdam jaar.
8.10 Belemmerlngenwet Privaatrecht
Achtereenvolgens komen het doel en de instrumenten van de Belemmeringenwet Privaatrecht aan de orde.

De onteigening

Afbeeldingsresultaat voor site:ilocate.nl

Ten behoeve van de ontruiming van oppervlakten in het belang van de volkshuisvesting; 5 ten behoeve van de verwijdering van één of meer ontruimde, onbewoonbaar verklaarde woningen of van één of meer niet meer in gebruik zijnde andere gebouwen, indien deze woningen of gebouwen winkel huren utrecht dermate in verval zijn geraakt of verminkt, dat zij de omgeving in ernstige mate ontsieren. Een bouwplan kan mede een plan van werken of een plan van werkzaamheden omvatten; 6 ten behoeve van de uitvoering van een project of een categorie van projecten van nationaal belang (art. 39a lid 1 WRO); 7 van een gebouw als bedoeld in art. 16a van de Woningwet ten behoeve winkel huren eindhoven van de handhaving van de openbare orde rond dat gebouw of van art. 2 en 3 van de Opiumwet in zodanig gebouw, indien de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in art. 16a lid 1 van die wet, geen uitzicht heeft geboden op een duurzaam herstel van de openbare orde rond dat gebouw welke is verstoord door gedragingen in het gebouw, onderscheidenlijk het duurzaam achterwege blijven van een overtreding van art. 2 of 3 van de Opiumwet in dat gebouw; 8 van een gebouw, een open erf of een terrein als bedoeld in art. 9 7 van de Woningwet ten behoeve van het opheffen van een overtreding als bedoeld in dat artikel, indien winkel huren rotterdam de toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in art. 16a lid 1 Woningwet, geen uitzicht heeft geboden op het duurzaam achterwege blijven van een zodanige overtreding.
De onteigeningen onder 2 worden bouwplanonteigeningen genoemd en mogen alleen plaatsvinden als Gedeputeerde Staten vooraf hebben verklaard tegen het plan geen bezwaar te hebben.
De onteigening wordt doorgaans in gang gezet als stok achter de deur. Meestal lukt het namelijk om in der minne overeenstemming te bereiken. De onteigeningsprocedure wordt doorgaans gebruikt omdat de eigenaars hopen via de rechter een hogere schadeloosstelling te winkel huren amsterdam krijgen dan de gemeente aanbiedt, hetgeen in de praktijk niet vaak uitkomt. Omdat bestemmingsplanonteigeningen en bouwplanonteigeningen het meeste voorkomen, zal daarop een korte toelichting worden gegeven.

Begripsomschrijving

Afbeeldingsresultaat voor site:ilocate.nl

Deze begripsomschrijving is zeer breed. Zo valt onder dit begrip zowel de subsidiëring van woningverbetering als de aanleg van een nieuw rioleringsstelsel. De beperking van de begripsomschrijving zit vooral in de toevoeging dat het moet gaan om de bebouwde gedeelten van het winkel huren utrecht gemeentelijke grondgebied, wat echter niet gelijk is aan de bebouwde kom. Zowel het Rijk, de provincie als de gemeente hebben een taak op het gebied van de stadsvernieuwing. De wet verstaat onder stadsvernieuwing ook dorpsvernieuwing; gemakshalve wordt verder daarvoor in dit boek ook gebruikgemaakt van de term ‘stadsvernieuwing’. Het Rijk, en met name de minister van VROM, heeft tot taak de stadsvernieuwing op rijksniveau te coördineren. Het Rijk moet de omvang bepalen van het budget dat voor de stadsvernieuwing ter beschikking wordt gesteld en het moet de maatstaven bepalen volgens welke het geld winkel huren eindhoven over de provincies en gemeenten wordt verdeeld. Jaarlijks moet de minister aan de Tweede Kamer rapporteren over zijn beleid. Hij maakt daartoe onder andere jaarlijks een bijgesteld meerjarenplan voor de stadsvernieuwing. De provincie heeft als belangrijkste taak het bevorderen van de coördinatie tussen de stadsvernieuwing en de regionale winkel huren rotterdam ontwikkeling van de provincie (art. 5 WSDV). De gemeente voert de stadsvernieuwing uit, waarbij zij gebruik kan maken van de stadsvernieuwingsgelden die op basis van de wet worden uitgekeerd (rechtstreeks van het Rijk of via de provincies). De wet biedt de winkel huren amsterdam gemeente ook de mogelijkheid juridische instrumenten in te zetten, zoals de leefmilieuverordening en het stadsvernieuwingsplan.